Blankenberge.
De kerstsfeer was weggeëbd in bleek, blanke
bergen van mist. De branding heb ik
niet horen omslaan, misschien omdat
ik, sinds kort, doof ben aan één kant.
Nooit was er zoveel haat als toen bij ons.
Restauranthouders en lunapark-uitbaters
zagen ons liever niet komen, zelfs zotte Zulma
met haar vijf kinnen liep ons straal voorbij.
Blanke bergen van leegtes stapelden op
tot ketens. Een massief blok niets.
Blankenberge zag ons liever niet komen, misschien
was de dijk niet voorzien op verliefden.
Nooit was er zoveel haat als rond onze handen,
toen, in diffuus licht van lantaarns, in mist,
in duister die bleef zwellen. Ik durf wedden
dat de nacht toen nog gestorven is.