Uit de manke jager52
Ochtenden nadien
Wat nu? De leider
van de troep was terug. De
man waarmee ik, als betoverd,
gelukkig was geweest.
En waarvoor ik
de bessen plukte en
de noten. Wij hadden ge-
vreeƫn ons getwee.
Enkel bedekt met
de droge bladeren en
die lekker opgeschud waren.
De opperste zaligheid.
Oei, de herinnering.
Want, ze was niet gelukkig
meer, nadat hij zijn plaats
had ingenomen.
Maar zij kon niet
anders, het leven had
het zo beslist. Opeens was
hij er niet meer.
Achtergebleven,
zoals een wezen dat
verdwijnt in de natuur. Zoals
de hinde haar jong.
Geplukt uit de
kudde, door de leeuw.
Voor zijn welpen, zijn leeuwin,
en voor hem nog het meest.
En weg komt nooit
meer weer, hadden zij
geleerd. Het was al zovele
manen lang zo geweest!
En plots, had hij
meer gedaan dan het
leven. Hij was teruggekomen,
Hij bewoog zijn leden.
Hij was teruggekomen van de jacht, ochtenden nadien. Oog in oog zouden zij staan.