Houdbaar.
Ze heeft me de haren op mijn handen leren lezen,
ze heeft me gewezen - zij, de zin over de blote dood,
de lijst van al het getaande lijden die elke dag haar tanden
poetst met mijn naam - op mijn schots en scheve tong,
die maar wat in haar eigen nat ligt te weken. Smeken kan
mijn vissoort niet. Ze heeft me ook op haar prikbord geprikt
en er 'gezocht' en 'geliefd' boven geschreven, mij tot memo
verheven. Ja, van mij valt te houden. Ik ben houdbaar.
Soms toch, voor even, als er geen belet is om geven, want
zo nu en dan ben ik haar verderf, en bederf ik. Zo nu
en dan als we woorden hebben, als zij die heeft, hemelhoog,
kolenzwarte regenboog, schimmel ik twee meter de grond in.
Dan ga ik tussen troost en vergeving liggen die beiden
verblijden, maar toch in hun kist blijven en me verstijven
met de vraag naar haar en mij en ik en zij. 'Ach, van haar
valt wis en waarachtig te houden. Ze is houdbaar voor het leven.'