Iedere avond kijk ik
uit mijn venster;
de dode ogen van deze stad
kunnen zich niet meer
sluiten voor wat komt
niet meer wegvegen wat is
geweest.
Zo lang al zit ik te wachten:
ik heb iedere seconde
geteld en vervloekt.
Iedere beweging heeft zich
doen gelden, iedere hoek, elke
kast is doorzocht: of er een
plaats is waar ik kan
wonen, een dag om niet te vergeten,
wat bezoek?
Sinds je weg bent, raap ik
iedere morgen mijn stukken
en schreven bijeen.
Ik heb gewacht tot de deur zou
opengaan: wij twee; één...
De uren zijn voorbij-
gevlogen en vervaagd. Tot
de uren eindeloos en somber werden
en de dagen stierven, de één na de
ander.