Gisteren zocht ik naar de maan, maar er was er geen,
op dat moment voelde ik mij echt helemaal alleen,
een klein onozel wicht,
op zoek naar een hoopvol licht.
Ik hield mij misschien wel erg groot,
maar diep vanbinnen ging ik langzaam dood.
Ik wenste dat ik ergens helemaal alleen was,
waar niemand het verdriet in mijn ogen las.
Waar ik de hele nacht kon huilen,
omdat ik twee armen miste om in te schuilen.
Kon ik maar kwaad op je zijn,
want dat verlicht de pijn.
Maar jij bent te begripvol,
te attentvol.
Ik hou nog steeds van jou,
maar sta nu in de kou,
zoekend naar de maan,
zodat ik samen met haar onder kan gaan.