De vloed in overstroming,
het tij is niet gekeerd,
kreupelhout op onvruchtbaar grond,
getooid met het fruit van de zee
te loor, in ontzielde bloei,
door de tijd aangerand.
Verbeten slaat de wind,
de kruinen van brakke golven,
op het oeverloos stille strand,
opgezogen door het mulle zand,
waardoor het zoetwater verlangen
schralende kelen doen dorsten.
De illusie blijft als impressie,
bij ieder voetspoor in het zand,
de beeldspraak van dit panorama,
heeft mijn vergelijking doet stalen,
het zout der aarde is uitgestrooid,
in de nerven van ons vermeend geluk...