Lood.
De wereld heeft een zekere zwaarte gekregen.
Als ik dichter zou zijn sprak ik van donkere wolken,
maar dat valt me te zwaar en lood ligt me beter en lichter.
Lood staat dan voor langgerekt en langdradig, en het
ligt languit onder ons op een bedje van slib. Touwtjes
aan vingers en tenen van het langoureuze lichaam.
De straat heeft een zekere zwaarte gekregen, dat noemt men
dan dalende straatwaarde. Als ik dichter zou zijn sprak ik van
maanlicht en sterren maar asfalt ligt me beter en harder.
Asfalt staat dan voor onderaards en onderkruiper, en het
heeft de onderbroekenlol afgeschaft en het huppelen verleerd.
De hitte heeft het onderaan de zool geplakt als onderbevelhebber.
Jazeker, de wereld heeft een zekere zwaarte gekregen. Als ik
van jou was, loodste ik me naar je toe om het je te zeggen maar dat
valt me nu te zwaar. Dat noemt men dan, het loodje leggen, in de schoot.