Liefdesbrief.
De misnoeging om de psychologie
van het onbereikbare, heeft zijn teloorgang
gekend en ‘la tristesse’ verwend, met zachte hand.
Tand om oog, oog om tand, randen rond de ogen.
Lief, mag ik je nog Lief noemen of moet ik
mij verbloemen met je naam? Mag ik je
op de keerzijde van de maan, nog ontmoeten,
of moet ik boetedoen voor de kleur van mijn hart?
Smart is nu je schoonheid, ik zie je lippen,
als je niet spreekt omdat dan mogelijkheden
zichtbaar zijn. Ik zie je ogen als je praat,
en tracht te lezen wat je leest, bedeesd, bedaard.
Zo moet mijn aard je lijken, zo moet ik
voor ons graf staan en gaan. Want als we gaan,
is het mijn heengaan, daar de trilling in mijn hand
een trilling blijft. Stuiptrekken naar de jouwe,
schuimbekken en leegvloeien. De dronkeman,
die zijn laatste pint gehad heeft. De goedheid,
die alles vergeeft, en de wraak slikt, stikt.
De jaloezie, omdat mannen weten waarom.
Ik hoop dat de psychologie van het onbereikbare
liegt, en jouw bedriegt. Laat het zijn,
laat me zijn. En ik hoop, dat dit geen liefde is,
want daarvoor hou ik teveel van jou.