Een grote gele wolk waait over
De duinen die vechten met de wind
Het lawaai maakt me alleen maar dover
En geeft een paniekerig gevoel dat me niet zint
Schuimige witte toppen bestormen
De afwachtende stukken strand
Hopend opdat de kustlijnen zullen vervormen
Zodat ze verder kunnen razen over land
Als een storm in een afgesloten kamer
Slaan gevoelens en luchtstromen me neer
Herhalend tot ik breek, steeds onaangenamer
Tot ik toegeef en me niet meer verweer
Verslagen en met droge tranen in mij ogen
Zie ik een laatste hoop de horizon bevaren
Ik kijk om me heen, mezelf weer eens bedrogen
Tot onbewust mijn blik bleef staren
Kleine schitteringen door een dichte muur
Van zand, wind en water, onverklaarbaar
Wie loopt hier nou in godsnaam nog op dit uur
of is het weer zover, meteen word mijn reikende hand te zwaar
Al neigend om mijn haar uit te trekken met mijn handen
Laat ik mezelf radeloos op mijn knieën vallen
Hoofd geheven om de zoute, snijdende regen te laten branden
Boeten zal ik voor de dingen die weer eens ga verknallen
Schuldig voel ik me, als ik weer naar zo’n situatie verlang
Aangezien ik me met jou nooit zo zou kunnen voelen
En dat ik het dan toch voor me kan zien, maakt me echt bang
Zal ik er ooit achterkomen wat ‘ik’ hiermee zal bedoelen
Ik heb geen enkele reden, laat staan het recht
Om toe te geven aan dit vage verlangen naar
Dat ik er überhaupt over nadenk, ik heb het helemaal niet slecht
Stom dat als ik dan om mij heen kijk wel eens denk; had ik dat maar...