de opmerkelijke enkeling wendt in vervoering
haar gezicht van de rottende pracht
naar schrijnend ijle lucht die zacht de
ander kust met een vluchtige beroering
met geen ander bewust dan de tijd bleek
zij te verkeren in het naderende eind
dat zelfs niet te verplaatsen viel voor
de naaste die haar in onschuld leidt
de lach als bevroren element maakt waan
in de plas tot een waar nu zij bevrijd
bedenkt dat de alles omringende
schoonheid waarlijk de hare was