Zeven zeeën, zeven dromen.
In eb en vloed mezelf berust.
Nu geluk is gekomen.
En geweten is gesust.
Alle woorden uitgesproken.
Is de nieuwe weg, eindelijk vrij.
De lente heeft zich in mijn hart ontloken.
Laat de roddelaars nu links van mij.
Niemand, zal me ooit meer kwetsen gaan.
Maar verstand koos voor gerechtigheid.
Weet ook ik, heb recht op een bestaan.
Zij waren steeds opnieuw tot kwetsen bereid.
Zijn ze dan vergeten, dat ook zij fouten hebben gemaakt.
Maar zo gaat het eenmaal in het leven.
De éne wordt aanhoord, de andere gekraakt.
Maar het leven gaat over, nemen en geven.
Ooit leren zij dat nog wel.
Ik bouw aan mijn zeven dromen.
Want voor hun was het maar een spel.
Tijd van geluk is nu gekomen.
En wandel nu mijn eigen weg.
Hou hun valse beloftes ver van mij.
Alles van die verloren momenten naast me leg.
Droom niemand anders zijn dromen meer, en dit maakt me blij.