Ik vertelde het bloemenkind van het leven.
Van de kleuren en de geuren die Hij ons gaf.
Ik vertelde de bomen van het leven.
Van de wind en de storm die Hij door hun takken liet gaan.
Ik vertelde de aarde van het leven.
Van het vuur en het water waar hij leven uit schiep.
Ik vertelde jou van het leven.
En jij begreep me niet.
Je lachte en keek in je boeken waar je het niet in vond.
Je draaide je om en liep van me weg.
In mijn handen lag het leven dat ik je wou geven.