Gister stierf een deel van mij af,
Toen ik realiseerde dat ik je nooit meer zou kunnen krijgen.
Alle vlinders eens zo dol aan het dartelen in de wei,
Zijn nu zo dood als verwelkte rozen.
Alle warmte eens in overvloed,
Heeft plaats gemaakt voor een koude stroom water
Die over het landschap van mijn gezicht stroomt
Waar is het fout gegaan?
Kwam het door die ene ruzie?
Of volg je je hart niet meer,
Maar je verstand?
Gister was de dag dat ik de ironie van afstand had ervaren.
Een afstand afleggen is zoiets als ontwikkeling,
Je legt een afstand af, je verlegt je grenzen, dat is ontwikkeling.
Maar afstand kan je ook belemmeren.
Afstand kan er net voor zorgen dat je niet verder kan met iets waarmee je juist verder wil.
Hoe afstand je toekomstplannen met een ander kan ruinieren.
Ik voel met als een gazelle die aan de grond is genageld door een leeuw,
Enkel is het verdriet wat mij aan de grond nagelt.
Ik kan geen stap meer verzetten,
Geen afstand meer afleggen,
Ik kan mijn grenzen niet verleggen,
Ik kan me niet meer ontwikkelingen...
Tenzij ik het feit accepteer dat jij nooit in mijn armen kan liggen en ik je vergeef voor de pijn die je mij hebt aangericht.
Alleen dan kan ik weer voetje voor voetje afstand afleggen.
Alleen dan kan ik me weer ontwikkelen.
Alleen dan kan ik weer mijn leven voortzetten en misschien ruimte maken voor een ander...
~ PLF ~
05 – 06 – ‘05