Wachten aan de oever van een bundel.
Halverwege diepte, die men vreest,
de vreemde grond van sterke taal.
Lopen waar het nooit genoeg,
nooit groot genoeg is.
Waaiers die van daar vertrekken,
stellen met een streek de neiging uit
behoedzaam schielijk weg te gaan;
komen waar het steeds genoeg,
steeds wijds genoeg is.
Blijven ingehouden zitten aan de rand.
Verderop de hoogte, rug van ’t woord
en zien de aarzeling van het bestaan.
Groeien waar het nooit genoeg,
nooit licht genoeg is.
(060901)