Bij de sneeuw, de rustige witte sneeuw, die naar beneden komt denk aan al die jaren die voorbij zijn gevlogen. Denkend aan jou met tranen in me ogen. Over alle fouten die ik heb gemaakt, en over al de goede tijden die we hebben meegemaakt. Waarna ik in een put ben gevallen, een diepe put waar geen gedachte meer uit kan ontsnappen. Waar gevoelens geen rol meer spelen, en waar de menselijkheid al eeuwen geen daglicht meer heeft gezien.
De dromen van vrijheid en menselijkheid zijn de enigste gedachten die mij liefde voor jou in leven hebben gehouden. Bij de kalmte van de witte oppervlakte van de stad, de weilanden en jou huis staande in de openvlakte, ben ik bang om door de omgeving te worden opgegeten, en weer terug te gaan in de eenzame put van me eigen gedachte. Krachtend op de gedachte van me liefde voor jou probeer ik de vlakte te doorkruizen. Denkende aan het verleden en de toekomst weet ik niet wat ik moet denken of voelen. Alles wat ik zie is de witte vlakte die me strak aanstaart, met al me kracht probeer ik me naar je toe te komen en zie dat de sneeuw me meetrekt naar de oprit. Voelend dat de sneeuw onder me voeten smelt door de warmte van je aanwezigheid, loop ik door tot aan jou deur. Twijfelend of ik zal aanbellen of weg zou gaan, voel ik me verlaten in de kou. Een blaffende hond aan de andere kant van straat staat me op te jagen. Aan de ene kant voel ik de kou van de winter en aan de andere de kou van me verlaten menselijkheid. Voordat ik een twijfel kan maken opent zij de deur en voel ik de warmte op me afkomen en al me gevoelens in een keer weer uit de diepe put omhoog komen.
Waarna ik haar teder kus en zeg “vrolijk kerstfeest”. Heel me verleden gaat de put in en me menselijkheid komt terug, waarna zij zegt “ook een vrolijk kerstfeest”. Ik ga naar binnen en zie heel me verleden wegvallen en me toekomst verschijnen, samen met jou.