Ik pluk de sterren uit de hemel
Schik ze op men zilv’ren kroon
Groots voel ik me, Sterrenlicht,
Die me leidde naar men wolkentroon
Hoe werd ik plots koningin
Die haar licht schenkt aan de Morgenzon
Sterrenlicht, je toonde mij
Waar ooit de mooie droom begon
Zwart was het, donker, stil
Ochtendster, haast uitgedoofd
Een ijle wind, koud en doods
Had de liefde uit haar hart geroofd
Prinses, van haar titel afgestapt
Dwaalde doelloos door haar bestaan
Had de liefde nu vaarwel gezegd
En de liefde haar, dat nam zij aan
Gevallen uit de hemel lag zij daar
Stervend op het harde grind
Vermomd als pelgrim vond hij haar
Had haar breekbaarheid meteen bemind
Hij tilde haar op, teder, zacht
Alsof ze gemaakt was van broos kristal
Treuren deed hij, diep en droef
In de macht van de dood bevond zij zich al
Één enkele traan plengde op haar wang
Magisch, een parel vol levenskracht
Kwam heel zachtjes plenzend neer op haar huid
Toen straalde zij weer, zwak, maar vol pracht
Zijn hart kreeg weer hoop, bij ’t zien van ’t licht
Als regen doet op een uitgedroogd land
Op een bed van zijde en sterrenglans
Legde hij haar, en verwarmde haar hand
Hij sprak haar toe: sterk en zacht
“Rode roos, werp je doornen op de grond,
laat me toe in je wereld waar wonderen zijn
want daar, en slechts daar, bevindt zich de wond.”
Een glimlach vormde zich op haar gezicht
Ze opende haar ogen, haar wangen kleurden rood
Ze antwoordde met stem, helder, maar stil:
“Oh liefde, oh warmte, ik waande je dood!”
Genezen stond ze op, knielde voor hem neer,
Zag hem, die van haar hield van in het begin
Sterrenlicht wierp dadelijk zijn vermomming af
En kroonde het meisje tot zijn koningin
Wat hebben koningen en heersers van macht
Een vorst die zijn hoop aan paleizen verspilt
Hoe hoger de toren, des te dieper hij valt
Het is de liefde, men liefste, die mensen hoger tilt