Letter naar huis
Wanneer de hemel opklaarde,
De wolken aan de kant trokken.
De weg vogelvrij was,
Geen vliegtuig zich door de lucht baande.
de wind stilletjes door mijn vleugels glipte.
de sterren willen bereiken,
maar niet kunnen reiken.
de glinsterende lichtjes en grote bollen die zonder touwtjes vast hangen.
eeuwig zweven ze daar al,
zonder een barst te vertonen.
geen spleetje, geen kiertje.
geen stofje dat in het heelal zweeft.
geen letter in godsboek.
er is zeker geen luchtje dat rond dwaalt op de verkeerd maan.
geen groen, geen rood.
en ook geen genotsmiddelen.
geen woord is er te stil of te luid.
geen kind te groot en geen volwassenen te klein.
je bent niks en je blijft niks
alleen een wit gedaante
ps: ik ben niks
van de jongen in de spiegel