De dag begon nochtans heel mooi,
De zon die scheen, de lucht was blauw,
De wereld had een lentetooi.
’t Was niet heel warm, een beetje kou.
Maar toen je zei dat ik niet deug,
Te veel zuip en te veel rook,
Toen wist ik tegen heug en meug
Niet wat te doen: ik bries, ik kook.
Vrouw, wil je dat ik dan
Word als zo’n kleine burgerman?
Toen was weer alles opgeklaard,
Geen wolkje aan de hemel.
De omgang kreeg een nieuwe vaart,
Maar ik schoot weer een kemel.
Je zei dat ik met alles lach,
Geen respect heb voor de dingen.
‘k Was boos omdat ‘k opeens niet mag
De wereldbeeltenis bezingen.
Vrouw, wat moeten we nu beginnen?
‘k Ben kwaad, verward en kou vanbinnen.
Maar als gewoonlijk kwam ’t weer goed:
We praten weer en lachen samen.
We weten heel goed hoe dat moet,
Gaan samen plan op plan beramen.
Maar plotsklaps schoot je in je wiek,
Je zei dat ik zo cynisch ben!
Maar wil je dan dat ik dat riek
Dat jij plots zo gevoelig bent?
Vrouw, laten we erover praten,
Laten we samen stoom aflaten.
Dat ging, zoals dat altijd gaat:
Onze relatie klikte weer.
Maar nu weet ik bij God geen raad!
Dit was beslist de laatste keer.
Je zei je liefde die is over.
Nu weet ik nergens waarnaartoe.
Gevoelens bleken plots te pover,
Wat ik bij God ook zeg of doe.
Vrouw, met jou kan ik niet leven,
’t Was tussen ons helaas maar even.
Ik ga nu, ’t ga je goed voortaan.
Met onze liefde is ’t gedaan.
Ik mocht niet zijn wie ik echt ben.
Je hebt me niet bepaald verwend.
Je kan bepaald kleinzielig zijn.
Voor mij ben jij een maat te klein.