Dit leven lijdt, langzaam, lusteloos.
Een kale, schrale vlakte, verre horizont.
Alwaar labiele lotselementen bangelijk balanceren.
Gelukkige glorie, fataal fatum?
Thu zal ci huth mach sa, thu zal.
Ver verschil, totale toendra, eindeloos.
Eeuwig eenzaam, oneindig lijdend -pijn!
Geschonken schepping, schier oneindig!
Het materiƫle maakt mensen mak, murw...
Maar het gewelf grots geeft geluk, kan't?
Edoch! Verlost, vrij, verblind, vergiftigd, verstoten!
In de gezellige grot sluiten sofisten.
In de vrije vlakte wezen wijzen, eenzaam...
Triomferende filosofie offert filosofen, fataal fatum.