Mijn leven leeft niet meer, sinds jij bent gegaan.
Mijn leven ziet niets meer, sinds jij bent gegaan.
De sterren, o die mooie sterren, zijn vertrokken met jouw lach.
Jouw lach, o jouw mooie lach.
Kijkend uit het raam, zie ik langzaam mijn leven voorbij me gaan.
Ik heb geen doel meer, geen streven, sinds jij bent gegaan.
Ik voel nog steeds jouw armen, die mijn armen zo makkelijk bedekte.
Jouw armen, die ik o zo vaak heb gevoeld.
In iedereen zie ik jouw. Jouw lippen, jouw mond, jouw haren, en zelfs jouw benen hebben mij vele malen gepasseerd.
In iedereen zie ik jouw. Maar jou zie ik in niemand.
Jij bent vertrokken, en mijn leven leeft niet meer sindsdien.