ik had voor jou
in dit leven
oceanen van water diep gevaren
zeeën van vuur getrotseerd
de hoogste atmosferen doorkliefd
niet evident voor een kleine vlinder
om het onbetaalbare te halen
ik word nu als een worm
terug in de aarde geduwd
alsof ’t me niet is gegund
dat ik proefde de nectar
van meerdere bloem
hoe kon ik anders
als pas ontpopte
jij, als doorwinterde,
had zoiets moeten zien
ik fladder nog wat rond
op de kracht van de milde zomerzon
en de wanhoop van mijn laatste dagen
pijnlijk beseffend de illusie van jou en mij
mijn diepgewortelde eenzaamheid
spijtig onontkoombaar
een feit