Zittend in het natte gras,
aan de waterkant, mis ik jou.
Een koude wind scheert in mijn gezicht,
En laat het donkere water golven
Ik kijk naar boven, een grauwe lucht,
Met gezwind voorbij trekkende wolken,
Daaronder wuift een rijzige ruwe beuk zijn takken.
Een druppel valt vanaf zijn bladeren neer op mijn wang,
Het regent reeds niet meer,
Maar na de hemel wenen de bomen.
Een liefelijke streling in mijn nek,
Een rilling over mijn rug,
Ik breng mijn hand naar mijn nek,
En voel daar ook de jouwe,
Ik draai me om en kijk omhoog,
Mijn ogen ontmoeten de jouwe.
Een druppel op mijn wang,
Dit keer een traan van vreugde.
Je slaat je armen om me heen,
Een warm gevoel in mijn buik,
Ik draai me om, je bent weg,
Mijn verlangen was maar kort
Werkelijkheid geworden