Rood is nu de kleur op het witte doek,
Versmeltend met de kleuren zwart en blauw.
Baant de schilder zich een weg,
Door zijn innerlijke kou.
Smelten werkt niet tegen zijn woede,
Het moet eruit, eruit!!
Kwasten kletteren op de grond,
Als hij gebroken, zichzelf weer verwond.
Open en gesloten is zijn schilderij,
Kreten vermengd met stille woorden.
Die vergeten waren in het holst van de nacht,
En zich weer door zijn huid konden boren.
Fluitend houdt hij zijn masker op,
Dwalend door de wereld.
Zoekend naar de antwoorden van de hemelen,
Wanneer vertrouwen en angst hem zijn wegen vertellen.