Een dikke traan rolt over me wang,
Een ijzige steek door mij heen.
Ik loop door een lange gang.
Een gang met schilderijen met beelden van mijn leven,
Één Schilderij wat moet laat beven.
Een schilderij met een jongen erop,
Waarbij is al mijn gevoelens opkrop.
Een jongen op een bed die ligt op sterven,
Ik sla het schilderij en er vallen scherven.
Scherven in mijn voet, maar dat boeit me niet,
De traan over mijn wang is er één van verdriet.
Op een ander schilderij ernaast sta ik bij een steen.
De pijn van de scherven in mijn been,
Voel ik niet want ik ga door het lint.
Er iets iets wat me met deze razernij bindt.
Ik zie de beelden door mijn hoofd schieten,
Natuurlijk zijn er ook beelden waar we genieten.
Het schilderij hangt er maar met de steen en mij,
Op die foto ben ik absoluut niet blij.
Ik sta te janken en weet van datgeen,
Dat is gebeurd en dat is die ijzige steek door mij heen.
Verder wil ik niet door de hal waar is sta,
Wil terug naar het begin, waar alles normaal was.
Geen ernstige problemen die mij recht in mijn ogen aankijken.
De dingen die later pas gingen blijken.
Ook dit schilderij sla ik kapot,
Ik loop toch verder en kijk naar een schilderij van een krot.
Die krot die symboliseert dat het leven van af dat moment veranderd in puin,
Hele dagen die ik op mijn werk verzuim.
Dagen met veel verdriet en pijn,
Laat dit alles astjeblieft over zijn.
Op elk schilderij staat ook een vrouw,
Waar ik ontzettend veel van hou.
Die ons er doorheen sleept, al deze klote momenten,
Op dat moment laat ik al die prenten.
Maar achter me en loop naar het einde van de gang.
Daar hoor ik een heel mooi gezang.
Met een trap die naar boven loopt,de hemel is daar,
En daar staat die vrouw, en ze wenkt me met een gebaar.
En alles is over en klaar.