- Voor A. Ginsberg -
ik zag de beste, mooiste geesten
van mijn generatie
verzanden
verdrinken
in dagelijkse sleur
routine
file
wachtlijsten
invoegstroken
hun hemelsblauwe polyfone vleugels
afgescheurd
tot een schaduw van zichzelf
vertrapte
engelen
voor wie de hemel
een te bewijzen sprookje was
afgestompt door
wekkers
rode, duivelse cijfers in
nog
intieme duisternis
infernaal gepiep
mechanische geluiden
een geest nog half slapend
krakend in beweging
met laatste vingers
om een deken
zich wentelend
in foetale geborgenheid
een schip dat de natte
dodelijke boezem
in spiraalde
van een allerlaatste golf
met een ongehoorde
kreet
en dan naar het werk
laverend door files,
door massa’s lotgenoten
tot het station
in al zijn plexiglorie
aan de einder lonkte
als een hart dat
mensen
pompte
als losgeslagen protonen
een Big Bang
van te helder licht
begeleid door frenetiek
geknisper van
voorverpakte lightproducten
waarmee wij onze levens rekten
en door te luid vertelde
anekdotes
van de voorbije zaterdag
we leefden achter voor en aan
computerschermen
die steeds dunner werden
we praatten
met collega’s van wie we
werkelijk niets
te weten kwamen
behalve dan
de foto’s
op hun bureaublad
waarop wij goedmoedig
diplomatisch
commentaren gaven
en ’s avonds keken
wij naar hen
die ons god en illusies
afgenomen hadden
naar hen
die ons leerden dat het
elders
altijd
erger
was
dat we één van velen
waren
en dus verre van
uniek
naar hen
die ons leerden
dat we waren
wat we hadden
en via deze ingenieuze
omweg toch
onsterfelijk
konden worden
zodat wij op vrije dagen
in dagelijkse sleur
routine
file
wachtlijsten
invoegstroken
naar winkeltempels
trokken
met te helder licht
waar wij onze briljante geesten
braken
over welk model
welke kleur
welk merk en
hoeveel dat dan
mocht kosten
om dan ons geluk
naar huis mee te nemen
als roofdieren
in zweterige handen
waar het gemiddeld
na twee jaar
garantie
de geest
te geven placht
we hadden de kleine lettertjes niet gelezen
en zo waren wij
als sprinkhanen
tussen rijpe aren
als barbaren
in vredestijd
met een honger
een rauwe hunker
die niet
te kalmeren
viel
en wij kregen
kinderen
soms op vraag
van onze ouders
soms op die
van onze vrouwen
en heel soms
van onszelf
zodat wij ouder
werden
en verder
moesten gaan
en aan de wiegen
van ons eerstgeboren
kind
staan we
zelf nog het meest verrast
te wenen
bang dat
ook zij
zullen
verdrinken
en
verzanden
zoals hun vaders deden