Onbeholpen
struikelend val ik in de diepte
daar waar ik door moet lopen
met rechte rug
maar ik laat me vallen
roekeloos in een donker ravijn
ik heb nooit een afgrond gevreesd
en in de vlucht naar de diepte
vraag ik me verwonderd af
heb ik ooit een reële angst gekend
ja
want ik vrees
jou te hebben verloren
struikelend val ik in de diepte
met een beklemd hart
val ik ooit terug naar jou
jij die ik ken
uit al mijn dromen
al mijn verlangens
ik ken jou toch,
de aanraking van jouw hand
de warmte van jou lach
ik ken jou toch
jouw vreugde
jouw pijn
ik ken jou toch
jij die op een kruispunt staat
naar daar waar je wil zijn
naar dat wat je wil doen
in jouw leven
ik ken het pad dat je wil volgen
struikelend richt ik me op
één allerlaatste keer
adem ik al de kracht in mijn lijf
om te rennen
harder dan ik ooit deed
over een pad parallel aan jou
om te juichen
wanneer jij jouw doel bereikt
om er te zijn wanneer jij het nodig vindt
maar ik verlies het spoor
en struikel onbeholpen verder
over de rand van het ravijn
waar ik jou wil bereiken
val ik steeds dieper
onwetend waar de bodem is
maar ik weet de weg toch
waarover wij samen liepen
aarzelend aan het begin
rende ik te hard,
was ik er teveel
liep ik jou voor de voeten
maar ik ken jou toch
ik voelde toch jouw hand
daar aan het begin
maar jij rent harder
en ik verlies langzaam mijn adem
mij rest nog slechts één ademtocht
één ademtocht
waarmee ik voluit schreeuw
om jouw richting te achterhalen
jouw naam sterft op mijn lippen
en jouw voorsprong is zo groot
terwijl ik onbeholpen struikel
of reik jij mij jouw hand
om me op te vangen
om me af te remmen
haal jij de noodzaak van het roepen weg
de onvermijdelijkheid van het rennen
want je kent me toch
je kent mijn hand
mijn gevoel
mijn weg
laat je die samenvloeien
in de rust van de wandeling
waar struikelend rennen overbodig is
laat je de ruimte doordringen
op een pad dat volledig open ligt
waar twee handen vertrouwen op elkaar
waar onze kracht de wereld maakt
naar waar wij zijn
in volledige vrijheid Parren [3 mei 2007]