Grijze waas.
Broos gestel van laveloze delen,
Is’t mogelijk nog te helen?
Schokkend neemt de tijd haar beloop,
Van staan, eerste pasjes,
Tot Zij weer kroop,
Krimpend.
Te zijner tijd wordt Zij
Kreupel, klein en krom,
Levende van dag naar dag.
Aan het roer staat Zij
En de wind zorgt voor een plots
Overstag.
Te midden van donkere haren
Waait de eerste grijze lok voor haar
Ogen.
De lok waait weg,
De grijze waas niet.
Wie de wereld zo beziet,
Beseft het langzaam terugtrekken
Naar onvoorziene proporties
Niet.