Ik zie je lopen,
hand in hand met mama.
Zo ging het elke dag,
elke keer een stukje lopen.
Toen ik nog eens keek,
een andere keer.
Zag ik mama niet,
ze was er niet.
Ik zie tranende oogjes,
ze was haar kwijt.
Haar mama had haar verlaten,
zonder uitleg of gebaar.
Ik liep naar het meisje toe,
en ze keek me vragend aan.
Zachtjes vroeg ze waar ze was,
waar haar mama was.
Ik wilde haar geen pijn doen,
ik wou dat ik mama terug kon krijgen.
Ik zei zachtjes iets wat haar deed huilen,
ze komt niet terug; ze is niet hier.