Aan de rand van mijn gedachten. Deel 4.
Waterkind, waterkant. Waterwind, landwind - ik ken mijn voel, mijn doel wanneer ik zwoel het waterlage kus. De boten, vloten en schepen; zij dwepen mijn Goethe weg en zeg nou zelf als ik je onder kussen bedelf - ben ik niet te gek om waar te zijn? Waarzijn, weerzin, weerom dat kind en dan het drama, dat laat maar, dat té raar en vervolgens het scheiden 'zal ons verblijden' beiden, verdorie nog aan toe. Ik telde mijn kronen maar kwam niet ver, want de ster die ons leidde, leed aan bindingsangst dus was de vangst mager en trager nog dan dat ruim ik mezelf terug naar de moederschoot; het water dat later alle wonden stilt.