De rood, oranje gloed
van het ochtendgloren.
Zorgt dat het verlangen wordt gevoedt,
het hart voor altijd verloren,
schreeuwend om een reikende hand
de ziel ontnomen van alle gezonde verstand.
Dolende geweest in de duistere, enge nacht,
helemaal uitgeput, huilt zacht.
Het zijn stille, verborgen tranen,
die zich een weg banen.
Over een verbitterd gelaat,
dat zichzelf zo verschrikkelijk haat.
Om dingen die zijn gebeurt,
en de wereld hebben zwart gekleurd.
Niet beseffend dat het niet zijn schuld kon zijn,
de oorzaak van het verdriet en de pijn.
Kwam geheel van buitenaf,
toch voelt het al zo lang als een verdiende straf.
Want hoe valt anders uit te leggen, wat is geweest,
hij moet wel zijn; een verrotte geest.
Die het allemaal zelf heeft gezocht,
in zijn ogen is hij een echt gedrocht.
Die alles wat hem overkomt verdient,
niet waardig te worden genoemd; een vriend.
Deze gedachten draagt hij altijd met zich mee, elke dag
voor de buitenwereld verborgen achter een vrolijke lach.
De diepste gevoelens worden mooi weg gestoken,
toch is de levensmoeheid weer eens ontloken.
S avonds in de stilte van zijn veilige haven
is het dat ze vragen voor overgave.
Dan is er een beetje tijd
om alles te overdenken, met veel spijt.
Dan schreeuwen de stemmen om te worden gehoord,
zij die gedurende de dag in de kiem zijn gesmoord.
Willen dat hun verhaal wordt aanhoord,
balancerend op een zeer dunne koord.
Vechtend om de avond veilig door te komen
terwijl zich voorbereidend op de demonen.
Die hun intrede zullen doen bij het vallen van de nacht,
dan hebben ze hen allen in hun macht.
Worstelend om de nacht te overleven,
s ochtends op te staan, ziek en vreselijk beven.
Zo is het dat zijn dagen in elkaar overgaan,
dit is hoe hij moet bestaan.
N.