(Gel)ogen
Terwijl de zon te fel schijnt
En het gras verbleekt door stromend water
Sta jij in het midden
Met een roos in je handen
Zo vredig kom jij over, tussen wilde zomerbloemen
En ritselende korenhalmen, tussen land.
Ik sta ergens
Links van jou
Gebogen uit het licht
Achter vergrijsde muren
Heb jij mij verborgen
Gezegd: ‘Ik haal je wel op’
Zelf heb ik zo lang gewacht
En ben toen weggelopen
Jij stond aan de overkant van het meer
En keek mij zoekend aan
‘Wie ben jij?’ vroegen jouw ogen
‘Wat doe jij in mijn dag?’
Ik zocht naar een onuitgesproken antwoord
Op mijn onzichtbare lippen van steen
En nu, naar zoveel jaren aan de overkant
Vind mijn vraag een overschaduwd antwoord
Alles wat jij zei was gelogen
En alles wat jij loog was waar