Je straalt niet meer,
vertrekkend gezicht, je knieën doen zo’n zeer.
Lopen gaat niet meer goed,
je verliest de moed.
Dwazig staar je voor je uit,
kijkend naar de lopende mensen door je ruit.
Je zegt dat je niets meer kan,
alles wat ik zeg, je verstaat er niets meer van.
Je gehoor laat je inmiddels ook steeds meer in de steek,
ik zie hoe je breek..
Het doet zo’n pijn om je zo te zien,
dit is niet wat je verdien.
‘Niet klagen maar dragen’ is niets van over gebleven,
de positiviteit is weggezweven.
Daarvoor in de plaats is de dementie toegeslagen,
steeds meer namen, voorwerpen die wegvagen.
Je huilt en zegt dat je niet meer wilt leven,
ik begrijp je maar ik kan je niet de dood geven.
Ik wil het ook niet, maar dat is egoïstisch van mij,
ik wil je het liefst eeuwig aan mijn zij.
Jij bent mijn grote voorbeeld en nog steeds ben je dat,
ook al is mijn naam nu verdwenen in het gat.
Ik ben je kleindochter en jij mijn oma voor altijd,
mijn hart raak je nooit meer kwijt.