In mijn handen rust je, zo stevig en fijn,
De snaren die zingen, een melodisch refrein.
Je lichaam van hout, zo warm en zo puur,
Met in elke aanslag, een muzikaal avontuur.
Jouw klank is een wonder, zo helder en rijk,
Je laat mijn ziel dansen, bij elke snarenstrijk.
Mijn trouwe metgezel, in vreugde en pijn,
O Fender, gitaarke, altijd ...zul je de mijne zijn.