Dik vijftien jaar geleden, heb ik hun as verstrooid.
Al lijkt dat best omstreden, spijt voelen deed ik nooit.
Dik zestig jaren huwelijk en dat is best een boel,
Ik vond het echt afschuwelijk, ze kenden geen gevoel.
Ze lieten zich nooit hinderen, ze leefden voor de schijn.
Ze kozen ook voor kinderen, hun kind zijn was niet fijn.
Nadat ik was geboren, bleek ik geen goed acteur.
Ik kon ze nooit bekoren en stelde ze teleur.
Ik bracht hen geen verrukking, ik was slechts wie ik was.
Ik was al een mislukking, lang voor de kleuterklas.
Ik werd toen opgeborgen, in het “kabouterhuis”.
Zo hielden ze verborgen, wat er niet klopte thuis.
Hun trouwen was geen liefde, maar angst alleen te zijn.
Wat mij het langste griefde; ontkenning van hun pijn.
Het mengen van hun assen, heeft iets basaals geheeld.
Ik ben allang volwassen en zij niet meer verdeeld.
Het mengen van hun resten, deed iets dat God niet kon.
Het land dat ik bemeste, met bloemen en gazon.
Daar zijn ze altijd samen, er is nu iets dat groeit.
En het voelt als een ‘Amen’, te zien wat er nu bloeit.