Ik ben en blijf een dromer, geweven uit wat licht,
met sterren aan de hemel als mijn hoogste vergezicht.
Ik adem de betovering van deze weidse sterrenpracht,
waar mijn dromen kunnen schuilen in de luwte van de nacht.
Zo zoek ik naar de warmte, op wegen stil en ver,
waar elke stap mij kan leiden naar misschien die ene ster.
Daar, tussen de schaduw en dat gouden moment,
is er de rust die enkel de dromer echt herkent.
Deze rust vindt zijn anker, voorbij de sterrenpracht,
als ik de blik ontmoet, die mijn eigen blik verwacht.
Een hand zomaar op mijn schouder, zo breekbaar en zo zacht,
net als dat lieve woord, dat mijn dromen leven geeft en kracht