In het midden van een winter kom ik hem weer tegen. Niet deze winter. Een ander winters landschap. Voor voorbijgangers en zielenwinter maakt het niet uit welk jaartal het is. Het reizen als een trein in sneeuwlandschap. Stil, geruisloos, uitgestrekt. Herhalend, minimalistisch,organisch. Onderhuids rustend, het uitzicht, hier en daar een klein huisje of zendmast, everlasting, alsof de eindbestemming niet bereikt wordt. Ik zie hem in een schim achter mij staan. Terwijl de Oostenwind de huid looit en plooit. Bomen getergd worden en voetbalsupporters in de verte joelen bij de behaalde overwinning. Geef ze brood en spelen, zegt hij. Soms is een kleine opmerking zo omvat. En doeltreffend om stappen sterker te maken. Verder.
Geef ons maar het brood. Het spel is het niet. Niet als vroeger en er een spel op tafel kwam, er gespeeld werd om winnen of verliezen. De winnaar zou juichen en de verliezer getroost worden. Immers, het is maar spel en de volgende keer kom je beter beslagen ten ijs. Hij zal nu niet winnen. Er is weinig tijd. Hij loopt en kijkt. Dwars door alles heen. Als ik mij omdraai staat hij daar. Bij de Vogelhut. Een meer waar zeldzame vogels zitten. Met een oud verweerd hek met kijkopening om al te enthousiaste mensen te weren. Alleen kijken naar ze mag. Het riet wuift onstuimig en geheimzinnig en het water is blauw als een ijsvogel. Hij heeft zijn hondje dicht bij zich. Dik ingeduffeld tegen druppels die schemerend vallen kijkt hij . Amor Fati, zegt hij. De rest gonst. wat hij zegt klinkt als de nagalm van een kerkklok op een geruisloze zondag. Amor Fati.
Ik zoek woorden die er niet zijn. Mijn handen bewegen naar mijn hart. Voor wat het waard is. Hoe waardig hij is. Als het bijna lente is zie ik hem nog aan de kust. Het waait en stuift zand tot bergen. Hij leeft intenser dan ooit. Langzaam loopt hij rustig weg. Met zijn hondje. Ik kan alleen maar kijken, de eenzame gestalte, de trouwe hond, de zee. Ik wil het beeld inprenten. Hem nalopen zodat ik achter hem zal staan als hij valt. Ik blijf waar ik zit en bezweer. Dat het Amor Fati zal omarmen, opvangen. Er engelen zijn die ondanks dat hij er misschien niet in gelooft afdalen om te dragen. Want hij was mooi niet van de wereld. En toch ook weer wel.
Een voorbijganger als vriend gevonden of gezonden. En altijd onderweg al was het maar in gedachten. De Vogelhut is niet meer. Vanwege werkzaamheden voor duinbehoud. Ik denk aan hem en sneeuw begint te vallen.
Het dwarrelt en zuivert. Wil je daar waar je nu bent zoals toen even wachten? Als ik onderweg ben en glimlach om het brood en de spelen?