De ganzenveer dwarrelt boven het laken,
rustig, zoals haar eigenaresse was;
ze voelt de koele adem, mist het glas—
het vrije wezen zal zij niet verzaken.
Het boerenleven is uit haar verdwenen,
waar de arbeid in menig strobaal lag;
de wind speelde met sprietjes en de vlag
die wappert waar de werkers zijn verschenen.
Van moeders adem genoot zij zoveel;
ook toen zij zich onverstaanbaar versprak,
haar twijfel in pa zijn huis had gelegd.
Af en toe ontvluchtte gegrinnik haar keel,
terwijl de wind danste bij de wilgentak,
het oude blad werd de zomer ontzegd.