Oostenwind spreekt afgebroken
en vlammen tikken tijdas
uit haar kokers van Eden
taal, tijdloze grot
ik luister wangenrood
naar magere maan
tussen hier en ooit
spitst fragment wassen huid
en zwarte boomtoppen naderen
haar beeltenis kunnen strijken
net niet is de luister opgetrokken
en als dan
't stil indaalt begint branden
levenslijnen om handen
voorbarig zien ogen vragen
'n man in grootouderlijk huis
kasten, kamers wegvagen
alleen stoel en ziel
vooraf leeft achterstevoren
ontvouwen einders zeker zijn
en donker op komt doemen
op aardeplaatsen, indigo gaten
wist marmer deernis, mededogen
vuur water ontmoet
geen weet wie dat doet
voel nog hand licht langs mijn rug gaan
alsof er even kon bestaan
buiten reizen, weids Saturnuskringen
terugkeer van talen
Oostenwind spreekt fluide
maan brandt boekdelen
waarin voorzegd was
zie ik nog steeds letters
maar weet niet wat ik las.