zij die zei die zij
de sabbat
der stille ligger,
ja wees er evenzo.
was alles volbracht,
was alles anders dan
gedacht. die stille dag.
de stabat mater verstomd,
gestolde wonden doorgrond,
de stad die hem niet verstond,
dag dan die donker won begon,
die niemand weerom willen kon.
of toch. om het aangezicht op
o mocht ik je lichter missen
te brengen. mag ik bij je
mij leger weten. zonder
verzegger ergens
waker wekkend
neergelegd.
paaswaker
heen
en ween
en weer al
eens heerlijk
deze ene weg
je morgenstond
der stemmingen,
zalving ten zegen
handen van het hart,
groeten ten voeten uit,
moge je aanschijn komen
raken, vroeger wonden door
laat baar maken. wil je van kom
ja wees er jij weten, ‘t eerste
keer om gewekte woord
worde je noemen
in mijn naam,
wijn uit pijn
geperst
zal jij
zijn.
heden
hevig luid
leed alleen
leeg verstillen,
doodgelopen kil.
dan daardoorheen
geraakt maakt je
leven uit delend
overgekomen
paaswaker
binnenin
verschil.
(Joh. 20:16-17; Mat. 28:9)