Ooit was er het sprookje, van oud en nieuw. Een vergeten land. Met sonore stem van regen die uitgestrekt door magische wouden klonk. De zee was altijd, zonder einder. Maar elke seconde, altijd, telden vlammende zonsondergangen. In dit land kon alles en was het onmogelijke even goed. Het land kende geen naam. Mijljaren later fluisterden ze dat het Vincit heette. En daar waren zij, geklonken aan elkaar. Haar naam was liefde. Zijn naam was tijd. Niemand weet waar ze begonnen. De liefde ontsprong uit het water. Hij herinnerde het zich niet meer. Ze bruiste omringd door het gezang van nachtegalen, de guirlandes in haar haren. Ontelbare vlinders vonden haar ranke handen als ze uitreikte. Ze liep op blote voeten, in haar boezem scheen een stralende zonnebloem, het kopje gebogen naar machtige zonnevlammen. Ze lachte veel en lieflijker dan mogelijk was.
Het maakte indruk op de tijd. Hij had alles al gezien en aan zich voorbij zien trekken. Maar dit was anders. Hij toonde donker, stenig, gegroefd. Er lag stille droefheid in zijn gelaat. Een gelatenheid. Zijn rug bleef recht. Hij was onvermijdelijk. Hij was tijd. ''Ik zal blijven'' zei hij haar toen zij samen klonken. ''Nu ben je de mooiste die ik ooit zag, maar samengaan zal niet gaan" Liefde zocht iemand die bij haar bleef en ze geloofde hem niet. De sprankeling in haar ogen vertelden hem dat. " Laten we een stukje oplopen" zei ze. '' Liefde zal je veranderen" Hij knikte, hongerig geworden maar berustend. '' Leef een beetje'' zei ze en liet een vlinder dwarrelen rond zijn hoofd. Ze maakte vele lange reizen maar keerde altijd terug naar hem en de oneindige zee zonder einder. Ze vertelde dan haar verhalen van al haar wederwaardigheden, haar lach klaterde als bergmeren. Hij luisterde graag. Haar zangerige stem over de dieren, bomen in het woud waar ze in klom, elk blaadje wat ze streelde en veranderde in goudstof.
De muziek van de vogels die zeker van de hemel kwam, de euforie van lente en zuivere winters. Wit van eindes en opnieuw beginnen. Ze raakte soms in de problemen, sprong in zeven sloten tegelijk en zag in onschuld geen gevaar. Ze praalde niet. Dezelfde onschuld dacht dat niets ooit zou veranderen. Ze hield van de tijd. '' Toch kan het niet'' zei hij dan. ''Wij twee zijn als natuurwetten, verstrengeld, in zekere zin tot elkaar veroordeeld, er is lot en je lotsbestemming zal ik niet zijn". In jeugdige overmoed glimlachte ze. " We zullen zien" Hij merkte langzamerhand traag als stenen op dat hij wachtte op haar en uitkeek over de velden of hij guirlandes zag dansen op kronkelige wegen.
Over de jaren veranderde ze. Er kwam een waas over haar ogen, een diepte. Ze had nog steeds sproetjes. Het maakte haar nog mooier maar haar wangen werden subtiel holler en er kwam een smaak van verdriet rond haar dorstige mond. Hij veranderde niet, bleef onaangedaan, observerend. Op een zekere dag kwam ze bij hem aankloppen. Hij woonde afgelegen en alleen maar muren waren zijn thuis niet. Hij had soep op tafel staan. Haar lieflijkheid dwarrelde tot een herfstbries. '' Doet het jou dan niets'' Haar stem klonk schril'. "Ik hou van jou maar jij blijft als de wijzers van de klok, tiktak, vooruitgaan en blijft onaangeraakt'' ''Raakt jou dan niets?" Ze huilde ineens, parelende tranen en hij moest het antwoord schuldig blijven. " Ik wacht" Hij zei het zacht en als een fait accompli.
Fijngevoelig als ze was liet ze het er bij. ''Daarnaast heb ik nu geen tijd voor jou'' zei hij.
Hij herinnerde de guirlandes die minder blonken. hij zag schrammen op haar handen, littekens van reizen. '' Het doet geen pijn" zei ze. Verontschuldigend.
Liefde ging door. Op een langere reis. De tijd wist. Na jaren troffen ze elkaar weer. De zee was even eindeloos zonder einder. De vlammende zonsondergangen. Stil zaten ze naast elkaar. Haar hand was gebald, ze opende de hand en in de palm lag een gedroogde vlindervleugel. '' Hoor je nachtegalen'' zei ze zacht. Hij loog en knikte. '' Ze komen weerom als het lente is'' zei ze. En nu het zuiver winter was geworden huiverde ze in besef dat haar gewaad in flarden was. De aderen vol bloed op gebarsten voeten. Ze groef ze in het zand. Haar haren waren grijs, de guirlandes dor. Ze legde de broze vleugel in zijn hand. ''Hou je van mij' vroeg ze. En hij zag haar op kronkelige wegen, de mooiste spring in het veld, haar geloof in hem, de reizen die ze uit naam maakte. De vlinders die om haar heen lachten. Haar zonnebloemhart, wat grijzer. Maar nog even. '' Nog even'' zei ze.
Hij zag de pijlen komen als haar handen reikten. Ze droeg kinderen, koesterde dieren. Hij en zij waren er altijd al. '' Mijn hart is vol'' zei ze. Zacht legde hij haar in het zoute water. '' Kijk, het vlammen" zei hij en beroerde haar voorhoofd. Een ster ontsnapte. '' Ben ik niet tot last in hoe ik nu ben''. Haar stem ijlde weg. '' Ik heb de tijd" zei hij vol deernis. Zijn ogen groeiden steeds groter en vlammender naarmate de hare braken en alleen zag hij de sprankeling die er voor hem was. Hij legde de vlindervleugel licht in haar open handpalm. Alles golfde rustig gebogen om haar heen. Haar haren werden tot zeewier en zilverglans. Het was als een dans. Een kalme bries van lente. Hier won hij niets. Zijn schouders krampten. Een vreemd gevoel welde op in zijn torso. Hij zag de wijzerplaat en stond stil. .