De kaars
Ik ben gestopt met geloven.
Het duister is nabij.
Maar ik heb een kaars die niet wil doven.
Is er dan nog hoop voor mij?
In sprookjes geloof ik allang niet meer,
ook al lijkt alles soms zo mooi.
Soms smeek ik nog tot onze Heer,
van wie ik denk dat Hij mij ontwijkt.
Ik doe mijn best voor iedereen,
en dat bezorgt me soms verdriet.
Hier sta ik dan, heel alleen,
met wat een ander achterliet.
Ik verstop al mijn pijn,
zelfs als mijn kinderen zeggen
dat ze er altijd voor me zijn
en hun hand op mijn schouder leggen.
Dat ze trots zijn op wie ik ben,
het mooiste in hun leven.
Zo waardevol ben ik voor hen,
en zoveel liefde willen ze me geven.
Zij zijn mijn kracht.
Nu ik een kleinkindje heb gekregen,
is er een toekomst die naar me lacht.
Nu zie ik weer zoveel wegen.