En lopen door de grijze
grijnzende maakbare
langs huizen, scheve bakens
waar 'n hologram woont
ze wil er het vuur ontsteken
haarden, alsjeblieft niet praten
maar vuurtorens omarmen
de treinstations, huiverend
dichtbij, het razen, denderen
dunne jas, zij die deden
zij draagt schuld, toebedeeld
ongekend dan door de ene
hoodies dragen zomerlengtes
zichtbaar. hoge flats. nabij
de rand blijven, angst weet raad
alles toch weer verdergaat
tot in duin naast 'n ree gezeten
even in het bestaan van Eden
zelfs als was het een waan
het kan dat het echt bestond
geloof het hertje daar op de grond
het schepsel stierf, ze wist het niet
tranen op de kiezels van 't pad
doorgestaan, doorgaan, verstelbaar
het is en blijft een meetlat
in haar droom zegt hij
dat ze alleen nog maar hoeft te sterven
alsof dat alles is, wat er blijft
en het 'n gedicht is dat ze schrijft
de vraag teveel gevraagd
'n spiegel ruw en verdriet schraagt.