Ik bid vóor het eten (beschaafd, onvolmondig).
Ik neem er de tijd voor (dus prevel onbondig).
Reeds tijdens het koken
wordt smekend gesproken
tot God - eender welke ("Wees mild, 'k ben onzondig.").
Maar steeds, na twee beten,
blijkt: 't is niet te vreten,
en gaat het van bidden naar vloeken. Hartgrondig!