Een oude man wandelt langzaam over het pad
geluidloos, met enkel de bomen in zijn buurt.
Hij telt de seconden hoe lang dit al niet duurt
en dan ineens staat hij voor dat groot, zwart, diep gat.
Springen wil hij in seconden maar hoe moet dat,
is zijn moeder er niet die hem altijd stuurt
in moeilijke momenten zolang het duurt
is die vrouw er niet, die hij altijd bij zich had?
In zijn gedachten kon het maar altijd zo zijn
kon zij er maar zijn, voor altijd weer bij hem
kon hij het maar toegeven, zijn hart zo klein.
Was er in zijn gedachten dan nergens een rem
die alles stoppen kon, op een rechte lijn
nee, nee, niemand die er aan kon doen voor hem.