Naast mijn omsloten bloem, is ze de vinger,
die me wijst op geluk. Daarnaast nog is ze mijn geluk,
zelfverwijzend. Nooit is ze mijn klaagmuur.
Ze moet eeuwig leven om haar te herdenken,
om haar sterven in leven te houden,
om mij te vergewissen van mijn geboorte.
Niet haar baren van mij als haar gezel,
want ik ben haar dochter, zoon en ouders. Ik
ben het oor aan haar stomme wand genaaid.
Ze is de stem van mijn realiteit. Neen,
die is ze zelf, ook de opgedrongen woorden,
van hun werkelijkheid. Ze is een zin over de dood.