Nooit.
Ik voel me wagenziek, ik voel me
wagen met jou als stuur, stuurloos
daar jij loos bent. Je bent nooit goed
voor mij geweest, goedheid. Hoe kan
het ook? Hoe kan je ook, touwtrekken
op je eentje? Hoe kan ik ook, houden
van het kreng met jouw lichaam? Lief –
slechte koosnaam – je maakt me hatelijk,
maar nooit haatdragend. Nooit kan je
de moeite doen, die het mij kost, om jou
te beledigen. Schat, schat, trut, de jacht
is lang gesloten. Het seizoen is lang voorbij.
Ik heb je nu, je hebt mij, zeg nooit nooit
is verleden tijd. Mijn schaduw heeft
je naam gestolen, en nooit – ik zeg nooit –
kan je de pijn begrijpen die mijn liefde is.