Als een sluipschutter mik ik op je hart,
ik knal recht in de kamer waar iemand woont
die al lang de huur niet meer betaalt.
Je voedt je met mij als maretak,
Je bijt je vast als een bloedhond
Je ontsmet mijn wonden met je eigen zoute tranen.
Je raaskalt, ettert maar door,
Je krijst, je kruipt als een verslagen demon door mijn witte tulpen.
Ik houd slechts de wake,
Stil lig je op je bed, met staar in je ogen,
Geruisloos mag je in mijn grot,
Een fakkeltocht voor de slaap,
Je ademt pijnlucht uit,
Ik struikel over het donker, en verstik mezelf in een traangaskamer van het hart dat je niet meer wil.
Het is koud hier buiten,
Het kolenhok lonkt.