De dood is dichtbij.
Ik voel dat ze over mijn schouder meekijkt.
Ook als is dit niet de oplossing.
Ze is zo mooi.
Een prinses.
Een elf.
Een moeder.
Een verwarde levensboom.
Takken reikend naar de zon.
Ze omhelst me.
Voert me mee.
Voert me mee naar de dood.
Een zwarte dood.
Een dood omringt door felle strepen licht.
Een donkere dood.
De takken van de boom worden smaller.
Te smal om de balans niet te verliezen.
Ik wil niet meer.
Ik val.
Net nog niet.
Ik val net nog niet.
De dood kijkt met me mee.
Ze leest ieder woord.
Ze droomt ieder beeld.
Ze verwacht ieder moment het leven.
Het leven dat me van de dood zal ontnemen.
Ik kies.
Net nog niet.
Nog even niet.
De boom omgeven door het felle licht.
Bladerkrans.
Verwarde bladerkrans reikend naar de zon.
De zon die de bladeren dood.
Te fel.
Te licht.
Boom net als ik.
Dood maar toch nog met een spatje hoop.
Hoop op een bron die ons zal doen herleven.
Een bron met vruchtbaar water.
Water met de kracht van een aanraking.
De kracht van een stil verlangen.
Een verlangen naar haar die ik nooit heb mogen voelen.
Zij die de dood is en die ik wil omarmen.
Ze kijkt met me mee.
Wachtend tot ik kies.
Ik kies.
Net nog niet.
Ik kies net nog niet.
Nog even niet.