In vurige tijden scheen het mij
dat mijn ogen rusten
op het gelaat van zulk schoon beeld
Een kracht werd mij gewaar
waarmee ik beminde
ergens uit de diepte van mezelf
Maar waar?
Kunt gij in mijn ziel zien?
Doch zie ik rimpels boven mijn ogen
Of zijn dit sneden van twijfel?
Slechts de zaligheid der enkele woorden zijn nodig:
“Ik bemin u.”
Lang heb ik een geheime vlam gekoesterd
Mij warmte laten geven
En steeds aangewakkerd door begeerte
Echter zakte mijn hoofd in één oogopslag
Die waarin twee tranen mijn lippen kusten
Is het haar mond die mij streelt met zulk een zeer?
Mijn eigen voel ik zelfs niet meer,
daar ik niet uit die donkere hoek komen wil.
Wat is het schoon voor de liefde te sterven.
5 februari 2004