Al mijn hoop is nu vervlogen.
Zelfs op deze school, waar niemand mij toch kende,
verpest een treiterbende mijn leven.
Er is geen enkel mededogen;
ik kan er niet meer tegen.
Rust er soms een vloek op mij?
Hoor ik er niet bij; ben ik anders?
Ik voel me leeg en uitgehold;
alleen een verstold verdriet is gebleven.
Blijft dit dan zo mijn hele leven?
Deze verstikkende gedachte
heeft me als een zee van angst overspoeld
en is daarna bevroren.
Ik zit gevangen, ben verloren
en niet meer bij machte mezelf te bevrijden.
Zo was mijn leven toch niet bedoeld.
Ik heb een grenzeloos verlangen
naar het einde van dit lijden.